Veel aandacht wordt besteed aan het 200-jarige bestaan van het Koninkrijk der Nederlanden. Het zijn vooral de staatkundige ontwikkelingen en de levens van de koningen Willem I, Willem II en Willem III die besproken worden. Maar hoe zat het met de koninklijke vrouwen? Wat was hun positie aan het hof en konden zij zich ontwikkelen als zij intelligent en ondernemend waren? Hadden zij macht? Wat was hun invloed op de maatschappij? Door hun hoge maatschappelijke positie leken ze bevoorrecht, maar juist daardoor werden ze soms ernstig belemmerd in hun doen en laten.
De levens van de volgende dames van koninklijken bloede worden besproken:
1. Hortense de Beauharnais (1783 - 1837)
2. Marianne van Oranje Nassau (1810 - 1883)
3. Sophie van Württemberg (1818 - 1877)
4. Sophie van Sachsen - Weimar-Eisenach, prinses van Oranje Nassau (1824 - 1897)
5. Emma van Waldeck-Pyrmont, prinses van Oranje Nassau (1858 - 1934)